top of page

KANKER NA TRANSPLANTATIE: een gesprek met professor Daan Dierickx, hematoloog UZ Leuven

Bijgewerkt op: 6 aug

Na een transplantatie krijgen patiënten levenslang medicijnen die afstoting voorkomen. Die medicatie redt levens, maar verzwakt ook het immuunsysteem. Daar door stijgt de kans op bepaalde kankers, zoals huidkanker of een zeldzame vorm van lymfeklierkanker: PTLD (Post-Transplant Lymfoproliferative Disorder).


Professor Daan Dierickx, hematoloog aan UZ Leuven, legt uit wat deze ziekte precies is, wie risico loopt en waarom de vooruitzichten beter zijn dan ooit.


Wat doet u precies als hematoloog?


“Ik behandel mensen met bloedziekten, vooral lymfeklierkankers. Eén van die vormen is post-transplant lymfoom, dat optreedt na een orgaan- of stamceltransplantatie. In mijn werk zie ik dus geregeld patiënten bij wie zo’n kanker zich na een transplantatie ontwikkelt.”


Wat is PTLD precies?


“De term PTLD staat voor Post-Transplant Lymphoproliferative Disorder. Het ontstaat omdat patiënten langdurig medicijnen nemen die het immuunsysteem onderdrukken.

Die medicijnen zijn noodzakelijk om afstoting te voorkomen, maar kunnen op termijn kleine DNA-beschadigingen veroorzaken in bloedcellen. Als die zich opstapelen,

kan er een kwaadaardige cel ontstaan. Dat is de basis van PTLD.”


Hoe vaak komt dit voor?


“Gelukkig is het een zeldzame complicatie. Als je alle orgaantransplantaties samenneemt, ontwikkelt ongeveer 1 tot 3 procent van de patiënten ooit een post-transplant lymfoom. Dat klinkt weinig, maar het risico is wel zeven tot acht keer hoger dan bij iemand die niet getransplanteerd is. Bij hart-, long- of darmtransplantaties zien we het het vaakst. Bij niertransplantaties is het risico kleiner, maar omdat er zoveel niertransplantaties gebeuren, zien we daar in absolute aantallen de meeste gevallen.”


Waarom ontstaat PTLD precies?


“Er zijn twee grote oorzaken. De eerste is immuunsuppressie zelf: die onderdrukt je afweer, waardoor foutjes in cellen kunnen ontstaan. De tweede oorzaak is het Epstein-Barr-virus, beter bekend als het klierkoortsvirus. Dat virus zit in ons allemaal – 95%

van de mensen komt er ooit mee in contact – maar ons afweersysteem houdt het onder controle. Na een transplantatie is die afweer tijdelijk verzwakt. Als het

virus dan opnieuw actief wordt, kan het bepaalde cellen kwaadaardig maken. Dat verklaart de vroeg optredende, vaak agressieve vormen van PTLD die we soms al binnen enkele weken na de transplantatiezien.”

Hoe wordt het vastgesteld?


“De symptomen kunnen heel uiteenlopend zijn. Soms is er een vergrote klier in de hals, oksel of buik die bij een echo zichtbaar wordt. Andere patiënten hebben onverklaarbare koorts, nachtzweten of gewichtsverlies. In zeldzame gevallen zit de kanker op moeilijkere

plaatsen, zoals in de hersenen, en dan merk je eerder uitvalsverschijnselen of hevige hoofdpijn. Het is niet zoals een huidtumor, waar je meteen een plekje ziet.

Net daarom is opvolging en alertheid zo belangrijk.”


Over professor Daan Dierickx

Prof. dr. Daan Dierickx is hematoloog aan

UZ Leuven en hoogleraar aan KU Leuven.

Hij is gespecialiseerd in agressieve en

zeldzame lymfeklierkankers, waaronder

post-transplant lymfomen (PTLD). Zijn

onderzoek focust op de genetische en mo-

leculaire kenmerken van deze ziekten en

op nieuwe, gerichte behandelingen. Daar-

naast maakt hij deel uit van het Leuven

Kankerinstituut (LKI) en het Laboratorium

voor Experimentele Hematologie.


Hoe wordt PTLD behandeld?


“De eerste stap is de immuunsuppressie verminderen. We bekijken of de patiënt misschien ‘te veel’ medicatie krijgt. Soms volstaat het om die dosis te verlagen of één middel te stoppen – in ongeveer 10% van de gevallen verdwijnt de ziekte dan vanzelf. Bij de meeste patiënten gebruiken we daarna gerichte immuuntherapie: een antistof die zich bindt aan de kwaadaardige cellen. Die behandeling is veel beter verdragen dan klassieke chemotherapie, en geneest nog eens 30 à 40% van de patiënten.


En sinds kort hebben we ook een nieuwe, heel hoopvolle aanpak: donorcellen uit een celbank, afkomstig van mensen die ooit het klierkoortsvirus hebben doorgemaakt. Die cellen helpen het lichaam van de patiënt om het virus te bestrijden. Met die behandeling kunnen we nog eens de helft van de resterende patiënten genezen. Alleen bij een kleinere groep is

nog chemotherapie nodig.”


Dat klinkt hoopgevend.


“Absoluut. Vijftien jaar geleden hadden we alleen chemotherapie, en veel patiënten stierven toen aan de complicaties ervan. Vandaag kunnen een groot aantal patiënten genezen zonder chemotherapie. Dat is een enorme stap vooruit. We begrijpen ook steeds

beter wat er precies in die cellen gebeurt, waardoor we de behandelingen nog beter kunnen afstemmen op het individu.”


Welke rol speelt onderzoek hierin?


“Wij doen onderzoek naar de genetische opbouw van deze kankers. Niet naar erfelijkheid, maar naar wat er precies fout loopt in het DNA van de kankercellen zelf.

We vermoeden dat PTLD niet één ziekte is, maar een verzameling van meerdere subtypes, elk met hun eigen gevoeligheid voor therapie. Het doel is om binnen enkele jaren niet langer twee, maar misschien zeven of acht subgroepen te onderscheiden – en dus ook

behandelingen op maat te kunnen aanbieden.”


Wat kan je als patiënt zelf doen?


“Voor PTLD bestaat geen echte leefstijlpreventie zoals bij andere kankers. Gezond leven, niet roken, voldoende bewegen – dat blijft natuurlijk belangrijk voor je algemene gezondheid, maar de echte preventie zit in de medische opvolging. Artsen controleren regelmatig de bloedwaarden en de hoeveelheid virus in het bloed, en passen de medicatie aan als dat nodig is.”


En emotioneel?

Hoe ervaren patiënten dit?


“Het is voor patiënten en hun omgeving vaak een schok. Zeker als het kort na een transplantatie gebeurt. Na twintig jaar zeggen mensen soms: ‘Ik heb toch twintig goede jaren gehad.’ Maar als je na drie maanden al opnieuw in het ziekenhuis ligt, is dat

moeilijk te aanvaarden. Gelukkig is er tegenwoordig veel aandacht voor psychologische en sociale ondersteuning. We werken in een multidisciplinair team met psychologen, diëtisten, kinesisten, sociaal werkers en tal van andere hulpverleners. Dat is echt belangrijk, want het psychosociale aspect is groot.”


Hoe kijkt u naar de toekomst?


“Optimistisch. We beschikken over betere behandelingen, meer kennis en meer samenwerking tussen centra. Dankzij nieuwe immuuntherapieën is de prognose sterk verbeterd ten opzichte van vijftien jaar geleden. En vooral: we zien elke dag hoeveel

veerkracht patiënten hebben. Wat ze allemaal doormaken – van ziekte tot transplantatie en herstel – dat blijft indrukwekkend. Hun kracht is vaak groter dan ze zelf denken.”


Tot slot:

wat wilt u patiënten graag meegeven?


“Eén ding: wees kritisch met wat je online leest. Op sociale media circuleren vooral de negatieve verhalen. Mensen die het goed doen, gaan vaak gewoon verder met hun leven. Laat je dus niet ontmoedigen door wat je leest, maar bespreek het met je arts. Goede informatie maakt je sterker, niet banger.”


Geïnspireerd door dit artikel? Ontdek nog meer interessante content in onze Transplantoux magazines.

Opmerkingen


bottom of page